Onafhankelijkheidsdag in Estland
Op 24 februari viert Estland Onafhankelijkheidsdag. Dit jaar bestaat de Republiek Estland 108 jaar. Op 23 februari 1918 werd de onafhankelijkheid uitgeroepen. Dat gebeurde toen het Manifest aan de Volkeren van Estland werd gepubliceerd en voorgelezen in de stad Pärnu. Een dag later, op 24 februari, werd het nieuws in de rest van het land bekend.
In de loop van de geschiedenis is Estland vaak bezet geweest. Vanaf de 12e eeuw, in de tijd van de Noordelijke Kruistochten, werd Estland bezit door onder andere de Denen, Zweedse, Duitsers en Russen.
Toen Estland in 1918 zijn onafhankelijkheid uitriep, begon een lange onafhankelijkheidsoorlog. In november 1918 viel het Russische leger de grensstad Narva aan, waardoor de oorlog begon. De wens van Estland om onafhankelijk te zijn was sterk. Met hulp van bondgenoten uit Denemarken, Zweden, Finland en Groot-Brittannië slaagden Estse troepen erin het Russische leger uit het land te sturen. In februari 1920 werd het Vredesverdrag van Tartu ondertekend met Sovjet-Rusland. Daarmee kwam er een einde aan de oorlog.
Voor Esten, is Onafhankelijkheidsdag een dag van feest én bezinning. Ze vieren hun land en denken aan de mensen die hebben geholpen bij het verkrijgen van de onafhankelijkheid.
De dag begint met het hijsen van de vlag door het hele land. De belangrijkste vlag ceremonie is in de hoofdstad Tallinn en wordt live op televisie uitgezonden. Ook is er een militaire parade. Daar laten de Estse defensiemacht en NAVO-bondgenoten hun uitrusting zien. Aan de einde van de dag houdt de president een toespraak voor het land.
Veel mensen brengen de dag door met familie en vrienden. Ze vieren het samen en genieten van traditionele gerechten. Een typisch gerecht op Onafhankelijkheidsdag is kiluvõileib: sprot filet op zwart brood met gekookt ei en bieslook.